Bij het Autogeen lassen wordt een mengsel van zuurstof en acetyleen verbrand. De warmte daarvan is voldoende om de werkstukdelen en eventueel toegevoegde draad te laten samensmelten. Door een hoge vlamtemperatuur van 3.160 oC en de warmteconcentratie van de acelyleen-zuurstofvlam wordt bij een neutrale vlaminstelling snel een klein smeltbad gevormd.
Om 1 deel acetyleen volledig te kunnen verbanden is 2,5 deel zuurstof nodig. Echter uit elke fles wordt maar 1 deel van elk gas gehaald.
Dit mengsel wordt in de kleine kegel verbrand. (primaire verbranding). Omdat dit een onvolledige verbranding is, bevindt zich om de vlamkegel een reducerende zone waarin onvolledig verbrande gassen (koolmonoxide en waterstof) zitten. De vlamtemperatuur op korte afstand van de kegel is 3.160oC. Deze onvolledig verbrande gassen, verbranden in de vlampluim met zuurstof uit de lucht tot kooldioxide (CO2) en waterdamp (secundaire verbranding) waarvoor nog 1,5 deel zuurstof uit de omgevingslucht onttrokken wordt.
Al naar de aard van de te lassen naad wordt er wel of geen toevoegmateriaal gebruikt.
Een kenmerk van het Autogeen lassen is dat de warmtetoevoer gescheiden is van de materiaaltoevoer. Het maken van de grondlagen in pijpverbindingen is hierdoor goed uitvoerbaar. Het proces heeft momenteel nog zijn belangrijkste toepassingen in het lassen van pijpen met kleine diameters en geringe wanddikte.